Al twee keer werd hij landskampioen, met toen nog Oranje-Zwart. Maar die kampioenschappen voelen toch minder ‘van hem’. Hoe anders zou dat zijn als Joep de Mol (30) als aanvoerder straks misschien de schaal omhoog mag houden. ,,Mijn rol is nu anders. Het is een gevoel van trots: Oranje-Rood is mijn cluppie.”
Hij kwam op een mooi moment over naar Eindhoven, twaalf jaar geleden: Oranje-Zwart was net voor het eerst in tien jaar en de tweede keer in totaal landskampioen geworden, er was een ticket voor de EHL verdiend en de ploeg was hofleverancier voor het Nederlands elftal. ,,Tegelijkertijd heeft dat de rest van mijn carrière ook een beetje verpest. Dat is gechargeerd, natuurlijk. Maar daarna kwam de dubbel en nog een kampioenschap. Ik viel met mijn neus in de boter, in twee jaar pakten we drie titels. Dan ga je denken dat dat normaal is.”
Hoe kwam je eigenlijk bij – toen nog – Oranje-Zwart terecht?
Ik was achttien en speelde bij Push. We speelden een oefenwedstrijd tegen Oranje-Zwart, waarin ik best goed speelde. Toen mocht ik een keer komen meetrainen.” Lachend: ,,Het niveau dat ik die training haalde, heb ik daarna in twaalf jaar niet meer gehaald. Alles wat ik deed, lukte. Het was waanzinnig. Die gasten dachten volgens mij dat ze de nieuwe Teun de Nooijer hadden binnengehaald. Toen ik het jaar erop bij het team zat, hebben ze zich vast een paar keer afgevraagd of ik wat vroeg gepiekt had.”
De Mol komt uit een klassieke hockeyfamilie. Mijn ouders hockeyden allebei, bij HOD en bij Tilburg. Mijn oudere broer ook, en ik wilde alles doen wat hij deed. Als klein menneke van drie of vier ging ik al mee. Maar daarvoor had ik al een stickje in de hand. Er is een foto van het WK van 1998 waarop ik bij mijn opa op schoot zit op de tribune, met een Rabobankhoedje op, omdat hij daar werkte.”
Het was diezelfde opa waar De Mol mee afsprak dat hij in het Nederlands elftal zou gaan spelen. ,,Ik was een jaar of acht, toen ik tegen hem heb gezegd: ‘Als ik dat haal en ik mag voor het eerst het Wilhelmus zingen, dan gaan we dat samen doen’. Hij is er nu niet meer, maar ik koester de mooie band die we hadden nog altijd.”

Je had eerst een bijrol in Eindhoven, maar je vond je draai. Hoe ging dat?
Na het eerste jaar, waarin Oranje-Zwart dus weer kampioen werd, kwam het door omstandigheden een beetje in een stroomversnelling. Ik zat al wel in Jong Oranje, maar bij het team was het nog een beetje ‘meehockeyen’. Ik speelde vooral tijdens de rustmomenten van de grote jongens, zo’n dertig minuten per wedstrijd. Nadat Sander Baart geblesseerd raakte, werd ik opgeroepen voor Oranje en mocht ik mee naar Brazilië en Argentinië. Dat ging heel goed, dus mocht ik blijven. Misschien ook omdat ik vanaf toen centraal achterin ging spelen bij Oranje-Zwart. In de finales van dat tweede jaar heb ik wel hele wedstrijden in het veld gedaan.”
Toch kwam de oproep voor het Nederlands team onverwacht. ,,Ja, het overkwam me allemaal een beetje. Dat klinkt heel stom, maar het was meteen na de laatste wedstrijd voor de winterstop. Ik stond al met een maat in de kroeg. Toen werd ik gebeld door een nummer dat ik niet kende. Ik liep naar buiten, was het Max Caldas, destijds de bondscoach. ‘Sta je in de kroeg?’ vroeg hij. Ik zei: ‘Ja, hoezo?’ ‘Drink het laatste biertje maar op, morgen zie ik je op Papendal,’ was de boodschap. Ik had nog nooit meegetraind hè?”
Maar ambitieus was je wel van jongs af aan. Wanneer wist je dat je wat kon bereiken als hockeyer?
Spelen in het Nederlands elftal en dat ik Olympisch kampioen wilde worden, daar was ik al heel jong vastberaden in. Toen vonden mijn ouders dat misschien een beetje waanbeelden. Zo’n carriëre gaat natuurlijk stap voor stap. Toen ik selectie mocht doen voor Nederlands B en het haalde, besefte ik dat ik wel wat kon, maar er is geen moment geweest dat ik zeker was van het Nederlands elftal. Niet zo gek, want ik ben overal wel een keer afgevallen, bij de jeugdteams, Jong Oranje en bij het Nederlands elftal. Als ik niet bij de selectie zat, waren dat vaak wel de momenten dat ik heel goed werd. Dan kreeg ik bewijsdrang.”

Je bent nu aanvoerder van het team dat bovenaan de hoofdklasse staat. Ze kunnen nu niet meer om je heen toch?
Laat ik vooropstellen dat ik heus wel weet dat ik nu anders in het team sta dan toen ik tien jaar geleden mijn debuut maakte bij Oranje. Ik ga niet doen alsof ik een heel zware hockeycarrière heb gehad. Helemaal niet. Maar ik heb wel wat knauwen te verwerken gehad. Reserve bij de Spelen van Rio, hoewel dat echt een bonus was geweest als ik daar bij had mogen zijn. Het WK van 2018 speelde ik uiteindelijk wel, maar ook daar was ik eerst afgevallen en reserve. Tijdens de Spelen van Tokio werd ik uit de selectie gewisseld en voor het WK van 2023 viel ik helemaal af. Die dingen zorgen er wel voor dat er altijd een stemmetje in mijn hoofd zit dat zegt dat ik nooit helemaal zeker kan zijn.”
De bewijsdrang heeft hem gebracht waar hij nu is. Topsport is ook dat je comfortabel moet worden in het oncomfortabele. Daar ben ik best goed in geworden. In het oncomfortabele leer je en voel je de gretigheid om beter te worden. Het is voor mij een teken dat ik het nog steeds heel graag wil. Zelfs als dat betekent dat ik ‘s avonds in bed voor de zoveelste keer een wedstrijd terugkijk op mijn mobiel. Zelfs wanneer we die met 6-0 hebben gewonnen.”
De afgelopen jaren zijn voor Oranje-Rood wat minder vruchtbaar geweest. Wat zie je, als je daar nu op terugkijkt?
Ik vind het best moeilijk om de vinger op de zere plek te leggen. De keuzes die werden gemaakt, de club die na de fusie weer z’n ziel moest vinden, de hele generatie van coryfeeën die afscheid nam. We hebben er een beetje mee gesukkeld. Waren gewend dat het vanzelf ging. Je hoopt dat het naadloos in elkaar overgaat, maar dat is niet zo. Toen is er later meer doorgeselecteerd en concreter gezegd dat we twee, drie jaar gingen investeren in elkaar.”
De Mol was niet meer het jonkie van de ploeg, maar groeide uit tot aanvoerder. ,,De kunst is dat je je niet anders gaat gedragen dan je deed. Mijn rol veranderde met de jaren en ik had de ambitie. Ik kan wel doen of het me niet raakt, maar natuurlijk leek het me gaaf om de band te mogen dragen en het team te leiden. Het is een gevoel van trots. Ik heb het al vroeg gezegd: ik word liever één keer kampioen hier, dan vier keer bij Bloemendaal. Oranje-Rood is mijn club. Als het straks lukt, zal het anders voelen, denk ik. Die eerste twee jaar… Oranje-Zwart was net zo goed kampioen geworden als ik niet mee had gedaan. Misschien doe ik mezelf daarmee tekort, maar ik had echt een bijrol. Anderen maakten het verschil. Als we nu kampioen worden… Dan is mijn bijdrage veel groter.”

En dan moet de zomer nog beginnen. Olympisch goud, Europees goud. Er mist er nog één…
Drie keer is scheepsrecht, hoop ik. De eerste keer was ik reserve. Ik kwam er in de kwartfinale bij, we werden uiteindelijk tweede. Daarna viel ik dus af. Nu is het ook nog eens een WK in eigen land. Heel bijzonder, daar kijk ik enorm naar uit. Na de Olympische Spelen in Parijs zijn wij nu het team waarop gejaagd wordt. Je kunt niet zomaar het succes van toen kopiëren. Als we blijven doen wat we deden, dat gaat niet nog eens werken. Het is cliché, maar ik snap nu waar het vandaan komt dat het moeilijk is om als regerend kampioen zo’n toernooi in te gaan. Het is zoveel makkelijker om te jagen dan om opgejaagd te worden. Teams bereiden zich beter voor op ons en wij moeten uitzoeken hoe we die concurrentie voorblijven.”
Misschien kunnen ze het eens aan de vrouwen vragen. ,,Ja, zij zijn altijd de partij waarop gejaagd wordt. Daarom vind ik dat zo bijzonder en knap. Ik hoop voor hen dat ook andere teams nog beter worden. Hun gouden Olympische medaille heeft kleur gekregen omdat de finale zó spannend was. Een finale met extase. Doordat er het gevoel was van ‘oh, we kunnen hem ook niet winnen’.”
Dat gevoel kennen jullie maar al te goed…
Ja, en dat is weer het mooie aan het mannenhockey. Op dit WK zijn er straks minstens zeven landen die een serieuze kans maken op de titel. Dat maakt het superleuk en interessant.”

